woensdag 17 december 2014

De opmaat naar revolutie


Tunis, oktober 2011.

Hichem rijdt iedere dag met zijn taxi op en neer tussen het vliegveld Tunis Carthago en de binnenstad, maar de afgelopen maanden wacht hij vooral. Toeristen blijven weg uit het roerige Maghreb land sinds de Arabische Revolutie hier begon. 

Dictator Ben Ali ontvluchtte Tunesië op 14 januari 2011.


De badplaats leverde al een wereldberoemde Tunesiër en één is genoeg voor een stadje met amper 30.000 inwoners. Zoiets moet er aan ten grondslag hebben gelegen, denkt Hichem. Hoeveel beroemdheden kun je hebben op zo’n aantal? Dertig jaar heerschappij over Tunesië kwam uit Monastir. Habib Bourguiba werd er op 3 augustus 1903 geboren als de jongste van acht kinderen. De grote Bourguiba die de Fransen verjoeg. De president die opkwam voor de rechten van de vrouw en polygamie afschafte. De man die educatie van zijn volk tot een van zijn voornaamste taken rekende, was de groenteverkoper voorgegaan en had zich alle roem toegeëigend die tussen de voegsels van de straatstenen bijeengepakt lag.
Maar hij was ook een opschepper, die Bourguiba, beweerde dat hij een natie had gecreëerd rondom hem, een natie waarvan hijzelf het stralende middelpunt was. Dat was het dubbele. Hij emancipeerde de Tunesiër, maar onderdrukte deze tevens net zo hard. Hichem zijn opa had in een van de gevangenissen van de dictator zijn linkeroog achter moeten laten, op de dag dat hij, Hichem, geboren werd. Een oog voor een kind. Een kind dat zou opgroeien onder een andere dictator. Want ook de machtige Bourguiba werd oud en zwak, een alfahond waarvan de tanden uitvallen en de vacht kale plekken vertoont. Hij werd uit de roedel verjaagd door zijn eigen minister en beoogd opvolger, Zine El Abidine Ben Ali, die ongeduldig was en gulzig ook.

Op 7 november 1987 hadden getrouwen van Ben Ali Habib Bourguiba met zijn rottende vingers in een auto geworpen en hem als de liefdesbrief van een ongewenste aanbidder teruggestuurd naar Monastir. Dat was de eerste keer dat Hichem de beroemdste boreling van zijn woonplaats zag. Hij was drie jaar oud, zich onbewust van de reden van opwinding die door de straten blies en zijn moeder zenuwachtig maakte. Je wist immers wat je had en niet wat je kreeg.
Ben Ali verstootte Bourguiba en nam zijn intrek in diens paleizen waaronder het megalomaan wit ommuurde huis dat neerkijkt op Carthago. Een stille trap achter de carport van de presidentiële hut leidde rechtstreeks naar de archeologische site. Er stonden verkenningstorens opgesteld alsof iemand een levensgroot Stratego bord bespeelde. Een spel dat met grote ernst gespeeld werd. In de torens draaiden bewakers met indrukwekkende automatische geweren, zich groen verdekkend tussen de mediterrane flora, verveeld rond. Hun vizier gericht op te nieuwsgierige toeristen. Borden riepen in verschillende talen: ‘Verboden om deze kant op te fotograferen’. Mocht iemand toch zijn camera trekken, dan togen de lopen gretig omhoog, zichtbaar bereid om roffelend vuur te spuwen. Maar meestal was het rustig. Amerikanen en Europeanen die met bussen aangevoerd werden uit de all inclusive hotels om een dagje cultuur te snuiven, waren allerminst geïnteresseerd in de behuizing van de dictator.   

Ben Ali leefde in het paleis van zijn voorganger zonder lessen te trekken uit de getuigenissen van de ruïnes. Verkruimelde graven, fora en afgebrokkelde residenties die nu werden bewoond door klein ongedierte en insecten, vertelden het verhaal van verval van grote volkeren. Een waarschuwing zou je denken, tegen de hoogmoed van de macht. Ze spraken van de gewelddadige cyclus waar iedere tiran al zo lang als de geschiedenis bestaat, in rond tolt. Stenen getuigenissen van het moment waarop de goden je in de steek laten en je wordt overreden door de karren en paarden van een ander die nog niet aan vraatzucht bezweken is en jong gespierd vol brute vernietigingskracht jouw zetel komt opeisen. 
Maar het roemruchte Carthago diende niet als tempel der vergankelijkheid. De tuinen, graven en gangen waren bezaaid met lampen voor nachtelijke feesten en partijen met Italiaanse en Libische machthebbers. Orgieën die de geschiedenis uitdaagden - kom dan, pak me dan - zodra de toeristen van die dag weer gestrekt aan het zwembad lagen en zoveel aten en dronken als maar kon. Want het was toch al betaald. Alles inbegrepen. Moeders smeerden hun kinderen in met zonnebrand, de rode ruggetjes moesten geholpen worden met het opbouwen van pigment. Tunesische obers en kamermeisjes glimlachten gedienstig naar de volgevreten westerlingen en schonken nogmaals bij. Onderdanig naar toeristen en machthebbers - het verschil was nauwelijks te proeven - legde de Tunesiër zich neer bij het lot.
Zodra de zon onder was, toastten de hotelgasten en waggelden op lokale muziektonen over de dansvloer. In de achtertuin van het presidentiële paleis verzamelde zich de elite van Noord Afrika, Zuid Europa, Rusland en menig verdwaald dictatortje of premiertje met vrouwen en kinderen in de all inclusive ruïnes. Ook hier was alles al betaald, dacht men.

Het was op zo’n feest dat de enige dochter van Muammar Ghadaffi, de wonderschone Aisha, Silvio Berlusconi verleidde tussen het los gespatte mozaïek van de Romeinse gangen. Naar eigen zeggen en reputatie was Silvio een goed minnaar die het woestijnzand uit haar blond geverfde lokken kon schudden, woest als haar vader, erotisch Europees en oppermachtig tot in de hak van zijn gelaarsde land. De kalende Italiaan had haar opa kunnen zijn, maar Muammar zag de voordelen van deze vrijage die de betrekkingen tussen Libië en Italië verder ineensmolt. Zoals een goed vader betaamt, waakte hij ook over de reputatie van zijn dochter. Hij duwde haar in een huwelijk met een neef van weinig karakter. Als je maar getrouwd bent. Gehuwde vrouwen kunnen doen waar ze zin in hebben, zolang ze maar een klein beetje discretie betrachten. En ... kinderen baren.
Aisha was een slimme meid en begreep haar ambigue rol in het spel om de macht dat zich voor vrouwen voornamelijk achter sluiers voltrok. Ze wisselde moeiteloos van moeder naar minnares. Van woestijnroos naar toga. Van diva naar legeraanvoerster. Mocht de situatie toch netelig worden, dan wist ze zich gesteund door de brute kracht van haar achternaam waarvan de lettergrepen wapens, olie en goud spelden.

In 2010 begon het rad te draaien. Geheel onverwacht trof de cyclus van verval als eerste de Ben Ali’s. Hun macht klapte in als een slecht opgezette nomadentent tijdens een zandstorm. Terwijl de Tunesische storm de zelfingenomen presidentiële familie verjoeg, bracht Aisha in huize Ghadaffi haar neef van weinig karakter de positieve uitslag van een zwangerschapstest. Hun vierde kind was op komst. Ze wees gracieus het glas champagne dat hij haar aanbood af. ‘Aanstaande moeders drinken niet,’ zei ze met een ondeugende lach, er zeker van dat hij haar de komende zeven maanden ongemoeid zou laten.

(Er gaan geruchten dat het kleine meisje dat op 30 augustus 2011 vlak over de grens met Algerije geboren werd, op de vlucht voor Libische rebellen en NATO bommen, een Berlusconi is. De jongste kleindochter van de Libische dictator zou zijn verwekt tijdens een van de laatste bunga-bunga orgieën der tirannen, toen de wereld nog vol goud en olie was en Aisha nog blond en overmoedig overspelig.)

De glimlach waarmee Aisha haar echtgenoot van weinig karakter zeven maanden het huwelijkse bed ontzegde, toonde geen spoor van besef. De eerste steen die van de berg rolde, vormde de aanzet tot een aanzwellende lawine die ook Aisha zou meesleuren. De geschiedenis was voornemens haar een loer te draaien, zoals ze dat pleegt te doen met dictators. De cirkel van geweld voltooide zich 23 jaar nadat Zine El Abidine Ben Ali de macht had gegrepen allereerst in het onbeduidende Tunesië.

Toen Hichem zestien was, stierf Habib Bourguiba eenzaam in zijn paleislijke kooi. Zomaar in het millennium jaar. De afgebladderde dictator werd met veel hypocriet vertoon bijgezet in het mausoleum waar zijn ouders en vrouw al op hem lagen te wachten. Een staatsbegrafenis! Nu kwamen ze wel uit Tunis, en ook uit vele andere landen. In Monastir vonden ze dat wel logisch. Want, hoe je ook over Bourguiba denkt, hij heeft vijftig jaar geschiedenis geschreven in de steppen van zijn geboorteland. Bovendien had de oude versleten man tijdens zijn gevangenschap aan populariteit gewonnen. In vergelijking met Ben Ali was hij een goed vader voor zijn onderdanen geweest.

‘Daarom’, denkt Hichem, ‘kan er niet nog een bij uit Monastir, nog een die de wereld verandert’. Hichem trekt met zijn linkeroog, zijn gevoelige oog volgens zijn moeder. Het oog dat zijn grootvader verloor op de dag dat hij geboren werd. Altijd als hij aan Abdesslem denkt, trekt zijn linkeroog en projecteert beelden aan de binnenkant van zijn hoofd. Beelden van zijn jeugdvriend die met zijn broek op de enkels door het voetbalstadion van Monastir rent. De lokale politie, die gewoontegetrouw uit veiligheidsoverwegingen de broekriemen van alle supporters innam, verbaasd achter zich latend. Abdesslem Trimech speelde meer dan eens de dorpsgek van het toeristische badplaatsje.

Tot die ene fatale dag, toen Hichem en hij net hun 26e verjaardag hadden gevierd. Na het jaarlijkse verjaardagsfeestje met zijn jeugdvriend stond Abdesslem op woensdag drie maart weer vroeg op. Hij ging groenten en fruit inkopen om deze vervolgens te verkopen in de straten van Monastir. Het was een mooie voorjaarsdag, zo’n 20 graden. Ab trok de zware kar met waren en weegschaal vrolijk door het plaatsje. Hij was altijd vrolijk. Toen hij voorbij het paleis dat zolang de gevangenis van Bourguiba was geweest liep, salueerde hij naar de geest van de overleden dictator. Met zijn andere hand kneep hij de neus dicht alsof hij de rottende vingers van de heerser kon ruiken. Jongetjes lachten naar hem en probeerden een sinaasappel te stelen van zijn kar. Alles was zoals altijd op mooie dagen, niets waarschuwde. Hij zag de agenten pas toen ze bij hem stopten. ‘Vergunning’. ‘Heb ik niet, dat weet je toch?’ De man keek grimmig. ‘Dan moet je betalen.’ ‘Dat kan niet. Ik heb nog niets verkocht.’ De agent stak zijn hand uit naar de weegschaal. ‘Nee,’ zei Abdesslem, ‘die heb ik nodig om te kunnen verkopen.’ ‘Je hebt geen vergunning. Je mag niet verkopen.’ ‘Hoe moeten we dan eten?’ ‘Een grote mond, Sidi?’ De agent die hem spottend met ‘meneer’ aan had gesproken, sloeg de kleine groenteverkoper aan de kant. Toen pakte hij de hele kar mee. Bij Abdesslem draaide iets door. Hij keek naar boven, recht in de zon en daarna zag hij alleen nog maar witte stippen die steeds sneller rondtolden en rood werden. Met een waas voor zijn ogen strompelde hij over het trottoir. Hij begon te schreeuwen. Strompelen werd lopen, lopen werd rennen, versneld vallen eigenlijk waarbij de benen steeds net op tijd de romp inhaalden en opvingen. Abdesslem rende tot hij bij de gouverneur was. Bonkte op de deur. ‘Mij is onrecht aangedaan. Ik heb niet eens een vergunning nodig. Geef me mijn kar terug.’ Zoals altijd in het Tunesië van Ben Ali, werd er niet naar hem geluisterd. De draaiende rode punten werden bloeddruppels. Hij zag niets meer zoals hij het daarvoor zag. Niets voelde meer zoals voorheen. De humor waarmee hij zich altijd wapende bleef uit. Er kwam geen grap, zoals anders. Alleen maar wanhoop over zijn leven. Zesentwintig was hij geworden, gisteren. En hij had niets, geen bezittingen, geen vrouw, geen toekomst. ‘Ik had hem kunnen stoppen,’ denkt Hichem. ‘Ik had er moeten zijn.’ 

Maar Hichem zat in de louage terug naar Tunis. En dus was er niemand die Ab tegen hield toen hij de brandstof over zijn kleren goot en dreigend met een aansteker terug liep naar de gouverneur. Hij dreigde niet alleen. Hij deed het. Abdesslem koosde met zijn duim over de kartelige cilinder van de aansteker. Drie maal. Toen zette hij kracht. De duim belandde op het kleine platform dat het gasreservoir opende. Het was maar een minuscuul vlammetje dat aan de hemdsmouw likte. Maar die vlam groeide snel en gulzig toen ze de lekkernij proefde waarmee Abdesslem zich had overgoten. Binnen een mum van tijd bedekte ze hem helemaal. En vrat hem op. 

Op zijn begrafenis waren 50.000 mensen. Er braken relletjes uit. Maar de media berichtten er niet over. Abdesslem werd vergeten. Het zou negen maanden en 14 dagen duren eer een andere Tunesische groenteverkoper van 26 jaar de Arabische Revolutie zou ontketenen. Mohammed Bouazizi uit Sidi Bouzid overkwam en deed hetzelfde. Nu waren er wel camera's. Dat was het grote verschil.

#

Hichem is ontsproten aan een toetsenbord, en helemaal fictief. Hij gelooft wat hij denkt, maar hij kent de hooggeplaatsten zoals Bourguiba, Aisha Ghaddafi en Ben Ali natuurlijk niet persoonlijk. Hichem is maar een kleine taxichauffeur. 
Abdesslem Trimech stak zichzelf in brand in Monastir nadat lokale autoriteiten hem een keer teveel gepakt hadden. Een drama waar nauwelijks aandacht aan is geschonken. Dit in tegenstelling tot de zelfverbranding van Mohammed Bouazizi die later in hetzelfde jaar de Arabische Revolutie zou ontketenen. 

Bovenstaande tekst is uit Asfour, roman over macht, revolutie, liefde en vrijheid, die in 2015 uitkomt.

###

Geen opmerkingen:

Een reactie posten